2010-10 Met elkaar meedenken moet doorlopend proces worden
01.07.2010
CEPHIR discussie ‘Betekenis onderzoeksprojecten jeugd en overgewicht’
Hoe sla je de brug tussen beleid en praktijk enerzijds, en wetenschappelijk onderzoek anderzijds? Het antwoord op die vraag is nog steeds niet eenvoudig, bleek tijdens de CEPHIR expertmeeting ‘jeugd en overgewicht’ op 28 april 2010. Belangrijk is in ieder geval om bij onderzoeken en projecten zo veel mogelijk samen op te trekken. “Je moet elkaar al in een vroeg stadium opzoeken.”
In twee flitspresentaties werd allereerst uitleg gegeven over onderzoek naar determinanten en interventies op het gebied van jeugd en overgewicht. MGZ-onderzoeker Lenie van Rossem vertelde over de opzet, het doel en de resultaten van het Generation R en het Endorse onderzoek. Haar collega Rick Prins ging vervolgens in op drie interventieprojecten: YouRAction, VETisnietVET en Lekker Fit! Nog los van de uitkomsten, leidden de presentaties meteen al tot discussie over details van de studies. Wat is het verschil tussen de drie interventies? Passen deze interventies wel bij pubers? Wat is de rol van de ouders? Maar gespreksleider Hein Raat (MGZ) stelde de kernvraag: wat kunnen we met de resultaten? “Heeft de gemeente iets aan dit soort onderzoek?”, vroeg hij aan beleidsmedewerker Mera Oosterom van de gemeente Rotterdam. Zij antwoordde: “Het werkt als we gezamenlijk een onderzoek vanaf het begin opstarten, zoals we momenteel doen binnen CIAO. Maar andere onderzoeken staan verder van me af. Ik hoor bijvoorbeeld nu pas concrete resultaten van deze studies.”
Gedeelde visie
Voormalig GGD-beleidsmedewerker Caroline de Pater (Denk- en Doewerk) vond dan ook dat partijen al in een vroeg stadium aan elkaar moeten denken. “Bijvoorbeeld in de praktijk kan men al heel vroeg vragen: heb je er aan gedacht om een wetenschappelijk onderzoeker bij dit project te betrekken?” GGD-directeur Onno de Zwart voegde daar aan toe dat dit ook in een recente bijeenkomst over kennismanagement aan de orde kwam. “De praktijk wil meer
evidence based gaan werken. Dat betekent dat we ook meer moeten nagaan welke kennis er al is.” Lyne Blanchette (GGD) sloot zich daarbij aan: “Er is een groeiende behoefte aan grip op problemen. De tijd is rijp voor een gedeelde visie over welke interventie we kunnen loslaten op welk probleem. We kunnen ook gaan werken aan een meer geïntegreerde aanpak. De verschillende interventieprojecten kunnen bijvoorbeeld modules worden binnen de Jeugdmonitor. Of we kunnen ze koppelen aan andere modules binnen de Gezonde School.”
Niet zo eenvoudig
De wil tot samenwerking is er dus wel. Maar toch blijkt het nog niet zo eenvoudig om elkaars kennis te benutten. Zo greep Toon Voorham (GGD) nog even terug op het Generation R onderzoek. Daaruit is onder meer gebleken dat Marokkaanse of Turkse kinderen van 2 en 3 jaar vaker overgewicht hebben dan Nederlandse kinderen. “Daar ben ik wel door verrast. Ik ben benieuwd hoe dat komt, maar vooral ook wat we ermee kunnen. Hoe kun je zorgen dat men elkaar daarover informeert?” Voor jeugdartsen is deze informatie echter niet helemaal nieuw, bleek uit enkele reacties. Ook Caspar van Rijn (Jeugd, Onderwijs en Samenleving, gemeente Rotterdam) zei dat de informatie al bekend was. “Overigens moeten we dit niet alleen academisch onderzoeken. Ook ouders kunnen je uitleg geven over de oorzaken.” Wilma Jansen, recent gepromoveerd op onderzoek naar preventie van overgewicht bij Rotterdamse kinderen, bestreed echter dat deze gegevens al bekend waren: “Dat is gewoon niet waar. Dit is echt nieuw.”
‘Stakeholders’
Opnieuw rees de vraag hoe kennis uit de praktijk en de wetenschap gedeeld kan worden. “Hoe moet die dialoog plaatsvinden?”, vroeg Hein Raat. “Misschien met een presentatie bij ons? Of is er meer nodig?” Mera Oosterom (Sport en Recreatie, gemeente Rotterdam) vond het belangrijk dat onderzoekers resultaten ‘vertalen’ voor bijvoorbeeld ambtenaren: “Jullie informatie moet in begrijpelijke taal naar ons komen. Het is voor ons moeilijk om de belangrijke punten uit het onderzoek te halen. Die
highlights kan de onderzoeker al op een rijtje zetten.” Maar de dialoog moet ook de andere kant op, zei Anke Oenema (MGZ): “Beleidsmakers moeten aan ons ook kenbaar maken waar zij behoefte aan hebben.” Toon Voorham (GGD) opperde het idee om studies te starten met een analyse van ‘stakeholders’: “We kunnen eerst op een rijtje zetten wie belang heeft bij welk onderzoek. Dan wordt duidelijk wie je bij een onderzoek of project moet betrekken.” Julie Huibregtsen (GGD) zei dat ‘met elkaar meedenken’ een doorlopend proces moet zijn. “Als je steeds eerst gaat onderzoeken en daarna uitvoeren, dan blijven het twee werelden. Je moet elkaar al in een vroeg stadium opzoeken.”
Onno de Zwart vindt het de taak van de GGD om beleidsmakers te adviseren over welke interventies ze wel of juist niet kunnen uitvoeren. “We doen dat voor een deel al met de Klein maar Fijn onderzoeken, maar we kunnen nog breder kijken hoe we wetenschappelijke kennis kunnen gebruiken in het uitvoeringsbeleid. Uit de Endorse studie is bijvoorbeeld gebleken dat de fysieke omgeving geen invloed heeft op obesitas-gerelateerd gedrag. We moeten nu als professionals tegen de gemeente durven te zeggen dat de omgeving niet zo belangrijk is. Dat is dan een advies op basis van state-of-the-art kennis. Daarmee kan de gemeente keuzes maken in wat zij wel en niet doen.”
Lex Burdorf reageerde dat dit voor een groot deel al zo gebeurt. “Wij krijgen vragen via de GGD en gaan in projecten met verschillende partijen aan de slag. In veel situaties kan de GGD al uitstekend antwoord geven op praktijkvragen.”
Ver weg
Maar er werden ook knelpunten uit de praktijk genoemd die effectieve samenwerking en toepassing van kennis in de weg staan. Een jeugdarts van de Zuid-Hollandse Eilanden noemde als voorbeeld de organisatorische veranderingen bij de GGD: “De GGD deed veel kleine projecten waarmee we de scholen bestookten. Maar met het verdwijnen van GGD Zuid-Hollandse Eilanden is daar nog maar weinig van over. De scholen zijn teleurgesteld en zeggen: ‘de GGD is weg, wat kunnen we nog verwachten?’ Samenwerken en elkaar informeren lukt alleen als je goede contacten hebt. Voor mensen in de Hoeksche Waard is de GGD in Rotterdam ver weg.”
Ook GGD-medewerker (ZHZ) Anne van Dorst noemde een knelpunt in de uitvoering. “Mensen in de praktijk verzinnen vaak een oplossing voor een probleem, bijvoorbeeld in de vorm van een project op een school. Onderzoeksresultaten komen pas later en dan kan blijken dat de eerder bedachte oplossing eigenlijk niet werkt. Maar als je dan net een school hebt meegekregen in je project, dan kun je niet ineens weer iets anders gaan doen. Scholen hebben gewoon geen tijd en geen personeel om steeds iets anders te organiseren. Bovendien haken scholen al snel af als ze iets moeten meebetalen aan een project. Een paar honderd euro kan al te veel zijn.”
Onno de Zwart begreep het punt, maar reageerde dat de praktijk niet moet doorgaan met een interventie die niet effectief is. “We moeten wel het lef hebben om te stoppen met iets dat niet werkt.” Annet van der Veen (CEPHIR coördinatie) vond dat er ook aandacht moet zijn voor het financiële aspect: “Er wordt heel veel geld gestoken in onderzoeks projecten. Dan mag dat niet stranden op een paar honderd euro in de follow-up.”
Rode draad
Tot slot werden de belangrijkste actiepunten en ideeën op een rijtje gezet. Hein Raat concludeerde dat communicatie de rode draad is in het geheel. “Het gaat om het vertalen van resultaten voor bijvoorbeeld beleidsadviseurs, het behapbaar maken van de kennis en om continue uitwisseling. Voor, tijdens en na een onderzoek moeten we met elkaar in contact staan. Vanuit CEPHIR is het goed als we flexibel zijn en meer systematisch gaan kijken naar
stakeholders.” Onno de Zwart voegde daar aan toe dat beleidsmensen tijd zouden moeten vrijmaken om kennis uit het onderzoek tot zich te nemen. “Veel mensen hebben bijvoorbeeld geen tijd om bij deze bijeenkomst te zijn.” Wilma Jansen stelde voor dat onderzoekers ook eens meegaan ‘naar buiten’, bijvoorbeeld naar een school waar een onderzoek wordt uitgevoerd. Hein Raat zei dat dat al een van de doelstellingen van CEPHIR is. “En andersom: praktijkmensen kunnen ook naar onderzoekers komen.” Een ander idee was om uitkomsten van onderzoek als persbericht te plaatsen in bijvoorbeeld personeelsbladen van relevante organisaties.
Lex Burdorf constateerde dat er toch ook al veel is bereikt in het delen van wetenschappelijke kennis met beleidsmakers. “In de media hoor ik regelmatig wethouders die uit hun hoofd resultaten uit CEPHIR-onderzoek citeren. Ze hoeven dat niet voor te bereiden, maar hebben die kennis al paraat. Dan ben ik erg onder de indruk van wat wij betekenen voor de beleidscyclus.”
Afgerond CEPHIR onderzoek
* Prevention of childhood obesity in a municipal setting (2009) - Wilma Jansen;
* Environmental determinants of overweight in Rotterdam schoolchildren (2009)-
Klazine van der Horst;
* Youth health monitoring- survey methodology (2010), Petra van de Looij;
Lopend CEPHIR onderzoek in laatste fase
* Pathways form social disadvantage to relative overweight in preschool children
(Generation R) - Leni van Rossem;
* A longitudinal investigation of environmental and personal determinants of energy-balance behaviours in youth (ENDORSE II) - Rick Prins en Klazine vd Horst;
* Physical activity promotion in adolescents - Rick Prins;
*VETisnietVet: the impact of a web-based interactive computer-tailored intervention on weight gain related behaviours in youth - Nicole Ezendam.
Terug naar overzicht