2010-09 Het is niet vanzelfsprekend dat academische kennis gebruikt gaat worden
01.07.2010

CEPHIR paneldiscussie 'Betekenis onderzoeksprojecten in de infectieziektebestrijding'
 
Welke nieuwe wetenschappelijke kennis vindt op tijd de weg naar brede toepassing in de praktijk? Dat is afhankelijk van vele factoren, bleek tijdens de CEPHIR expertmeeting over infectieziekten, op 9 juni 2010. Ook hier draaide het om de vraag hoe wetenschap en praktijk samen kunnen komen. “We zouden meer momenten kunnen inlassen om een onderzoek met meerdere mensen te bespreken.”

Tijdens de expertmeeting werden de aanbevelingen uit de zes CEPHIR proefschriften op het gebied van infectieziekten bekeken en werd nagegaan welke daarvan zijn overgenomen in de infectieziektebestrijding. De eerste aanbeveling die werd besproken, kwam uit het proefschrift van Hannelore Götz en ging over het invoeren van screening op Chlamydia in grootstedelijke gebieden. Dit bleek meteen de aanbeveling die het verst is gekomen in de implementatie: er is inmiddels een pilotproject gestart in Amsterdam, Rotterdam en Zuid-Limburg. “Maar”, zei Hannelore, “ik zat ook in de positie dat er iets kon gebeuren en de tijd bleek er rijp voor. Het ministerie heeft opdracht gegeven voor de pilot en het RIVM doet de evaluatie. Daaruit moet blijken of screening leidt tot minder Chlamydia. We hopen uiteindelijk op een landelijke toepassing.” De discussie resulteerde in de opmerking dat een aio over het algemeen minder in de positie verkeert om aanbevelingen verder te brengen. De Academische Werkplaats moet deze verantwoordelijkheid op zich nemen.

Ondergesneeuwd
Maar niet alle aanbevelingen worden zo snel opgevolgd. Zo bevat het proefschrift van Paul Mertens, over het opdoen van kennis bij uitbraken, een duidelijk schema met opeenvolgende stappen bij een uitbraak. “Waarom is dat nog niet verwerkt tot een richtlijn?”, vroeg gespreksleider Jim van Steenbergen (RIVM, Centrum Infectieziektebestrijding/CIb) zich af. Paul Mertens merkte daar zelf over op: “Bestrijding gebeurt door de GGD, en daar speelt politiek een rol. De academische onderbouwing kan daardoor ondergesneeuwd raken. Wetenschappelijke cijfers worden soms zelfs ‘gepimpt’ vanwege politieke belangen.”
Maar wie zorgt er voor dat het schema een landelijk schema wordt?, vroeg Jim opnieuw. “Wie is daar verantwoordelijk voor? De promovendus zelf? De wetenschappelijke instelling?” De aanwezigen vonden dat een gezamenlijke verantwoordelijkheid, met ook een rol voor het CIb. Jim reageerde: “De ontwikkeling van richtlijnen is een probleem dat bij alle beroepsgroepen speelt. Er zijn bijvoorbeeld chirurgische ingrepen die achterhaald zijn maar nog wel worden toegepast. Er is sprake van enige willekeur welke kennis wordt verwerkt in een richtlijn. Dat kan ook niet anders, want niemand kan de hele wereldliteratuur van een vakgebied bijhouden.”
 
‘Promovendidag’
Onno de Zwart (directeur GGD Rotterdam-Rijnmond) voegde daar aan toe dat een proefschrift slechts een onderdeel is in het maken van beleid of het invoeren van een interventie. “Het gaat erom hoe je het gat vult tussen de productie van academische kennis en toepassing daarvan. Binnen CEPHIR denken we daar over na. Hoe gaan we verder na een onderzoek? Bij iedere promotie houden we nu een seminar, maar verder is er eigenlijk geen moment waarop we bespreken wat we verder met het onderzoek kunnen. Als je daar geen energie in steekt, is de onderzoeker alleen maar opgelucht dat het is afgelopen. We zouden meer momenten kunnen inlassen om een onderzoek met meerdere mensen te bespreken. Overigens kunnen we dan ook beslissen om er verder niets mee te doen.”
Jan Hendrik Richardus deed de suggestie voor een jaarlijkse dag bij het CIb met alle promovendi op het gebied van infectieziekten. “Jaarlijks zijn dat er niet meer dan tien in het hele land, dus dat is goed te organiseren. Zij weten met elkaar de state-of-the-art. Uit zo’n bijeenkomst kun je heel snel informatie halen die anders misschien pas jaren later doorsijpelt. En zo is de kennis meteen bij het CIb.”Jim zag ook wel iets in zo’n ‘promovendidag’: “Het kan heel stimulerend werken om met elkaar te bespreken wat er speelt en wat je met al het onderzoek kunt.” Een van de aanwezigen merkte op dat ook de jaarlijkse Transmissiedag bij het RIVM hiervoor gebruikt kan worden.
 
Tweedeling
Maar ook als er een richtlijn is, is het gebruik ervan nog lang niet vanzelfsprekend. Hepatoloog Rob de Man zei daarover: “Het ontwikkelproces stokt als bijvoorbeeld één GGD zegt: ‘wij blijven het op onze eigen manier doen’. Wij hebben bijvoorbeeld een toolkit ontwikkeld voor hepatitis. Maar als we daarmee naar onze buren gaan, slaat dat niet aan. Men heeft er geen tijd voor, men heeft andere prioriteiten of we zijn gewoonweg niet welkom. Het is niet vanzelfsprekend dat kennis uit de Academische Werkplaats gebruikt gaat worden door andere GGD’en. Dat is gevaarlijk, want er kan een tweedeling ontstaan tussen GGD’en die wel of niet meedoen.”
Bekend is dat nog geen 20 procent van nieuwe onderzoeksresultaten volledig en goed geïmplementeerd worden. Implementeren is erg moeilijk. Onderzoekster Mireille Wolfers zei dat er daarom behoefte is aan meer implementatieonderzoek. “Oftewel: hoe kun je mensen bewegen om iets te gaan toepassen wat ze niet kennen. Dat is een vak apart. Je kunt niet simpelweg zeggen: dit is goed, dus ga het maar gebruiken.”
 
Internationaal
Een onderzoek dat internationaal is aangeslagen, is het onderzoek van Rob van Hest, over capture-recapture methoden in de surveillance van tuberculose. Rob is door de WHO uitgenodigd om mee te doen aan een onderzoek in Egypte en gevraagd als tijdelijk adviseur voor de TB-bestrijding in Jemen. Jim van Steenbergen zei dat de WHO dit waarschijnlijk heeft opgepikt omdat er een speciaal programma is voor de bestrijding van TB. Ook zo’n factor blijkt bepalend voor het succes van implementatie van wetenschappelijk onderzoek.
Het lijkt tevens gunstig als bij het onderzoek al relevante organisaties betrokken zijn, zoals Soa Aids Nederland, de Hepatitis Stichting of het Tuberculosefonds. Toch is dat laatste niet altijd een garantie voor succes, verklaarde Paul Mertens: “Ik heb mijn onderzoek gedaan in samenwerking met het RIVM. Er waren heel korte lijnen. Maar toch is mijn kinkhoestonderzoek niet opgepikt.”
Onderzoeksresultaten worden ook sneller toegepast als die een bepaalde ontwikkeling ondersteunen. Dat is het geval met het onderzoek van Gerard de Vries naar het gebruik van DNA-fingerprinting bij outbreakmanagement van tuberculose. Jim van Steenbergen zei: “Dat onderzoek is mede aangeslagen omdat het een fantastische techniek is. Ook zònder proefschriften zou de techniek worden toegepast.” Richardus voegt toe dat het dankzij het onderzoek van Gerard wel veel selectiever en effectiever kan worden ingezet. Uiteindelijk werd het belang van wetenschappelijk onderzoek voor de praktijk ook iets gerelativeerd. Paul Mertens verklaarde: “We moeten niet verwachten dat ieder onderzoek meteen leidt tot verandering.” Jan Hendrik Richardus voegde daar aan toe: “We komen door onderzoek wel steeds meer te weten, bijvoorbeeld over manieren van screenen of communicatie met doelgroepen. Ook dat is een belangrijke opbrengst van het onderzoek.”
 
De zes afgeronde CEPHIR-proefschriften op het gebied van infectieziekten zijn:
* Chlamydia Trachomatis screening: wie en hoe - Hannelore Götz, arts infectieziektebestrijding.
* Vangst-hervangstmethoden voor surveillance van tbc en andere infectieziekten - Rob van Hest,
arts tuberculosebestrijding.
* Uitbraken: bronnen van epidemiologische kennis voor het beheersen van overdraagbare ziekten - Paul Mertens, arts maatschappij en gezondheid.
* Verkenning van risicoperceptie ten aanzien van opkomende infectieziekten - Onno de Zwart, MPH.
* Implementation of DNA fingerprinting in local tuberculosis control - Gerard de Vries,
arts tuberculosebestrijding.
* Secundaire preventie van hepatitis B in Nederland - Irene Veldhuijzen,
gezondheidswetenschapper-epidemioloog
 
Lopend onderzoek in laatste fase:
* Promoting STI and HIV testing among students of vocational training centres: theory- and evidence based development of an intervention - Mireille Wolfers
* Promotion of Hepatitis B prevention in the Turkish community in Rotterdam;
individual and cultural tailoring - Ytje van der Veen.
 
Downloaden projectinformatie
Downloaden aanbevelingen proefschriften


Terug naar overzicht
CMS by WebGenerator